JOZEF ESSING

JOZEF IS BROEDER van de Dominicanenorde en 82 jaar oud. Sinds 1991 woont hij in het klooster in Zwolle. Hij is een echte fietsfanaat en is geregeld naar Lourdes gefietst. ‘s Winters prutst hij graag aan de pc. Dan bouwt hij nieuwe elementen in of verdiept zich in het open besturingssysteem Linux.

Ik zou ook in een rijtjeshuis kunnen leven, maar hier is het leuker. In het klooster heb ik een eigen plek en ben ik tegelijkertijd onderdeel van het grotere geheel van kerk en klooster. In 1991 ben ik naar Zwolle gekomen als prior, de overste van het klooster. Hier was de verbinding met gewone mensen heel sterk door de combinatie met de kerk. We zijn een predikersorde die het oude woord en het leven nu verbinden. We kijken minder naar het leven van Dominicus dan naar zijn opdracht: prediking. Preken is een brug slaan tussen de traditie en het nu. Ik leef me ín, zowel in het oude boek als in de onderliggende emoties van mensen en bij de dingen waar ze mee bezig zijn.

De verbinding tussen een oude boodschap en het dagelijks leven nu

In 2002 bestonden we 100 jaar. We hielden voor het eerst een poëzieavond in het koorgedeelte van het klooster. Een collega-voorganger las een gedicht voor van Rutger Kopland: ‘De moeder het water’. Het gaat over een man die zijn moeder bezoekt in een protestants-christelijk verzorgingstehuis. Hij loopt door en ziet zijn moeder in de tuin zitten. Ze heeft Alzheimer en is nog maar een schim van wie ze was. En als vanzelf, ondanks dat hij niet in God gelooft, vraagt hij Hem haar te bewaren.

Dit is het verhaal van een ongelovige die als het ware overvallen wordt. Niet omdat het moet of omdat iemand dat voorschrijft, maar vanuit de menselijkheid. Dat is de Dominicaanse traditie: in het dagelijks leven laten zien dat het belangrijk is dat er een God is. Wie anders kan garant staan dat iemand niet wegzakt en in haar menselijkheid vervaagt? De ontmoeting met God vindt hier niet plaats in een viering, maar er om heen, in het dagelijkse leven.

De persoonlijke behoefte is belangrijk geworden

Geregeld praat ik met jongeren die op bezoek zijn in het klooster. Ze zijn bezig met de vraag of ze wel gezien worden. In deze tijd moeten mensen zich manifesteren; ze verwerkelijken zichzelf apart, als individu. Vroeger waren we meer een geheel: wij wilden geen diva zijn maar zochten de samenklank. Het is mooi dat tegenwoordig die persoonlijke behoefte belangrijker is geworden.

We gaan ook onze eigen hol uit. Voor het 800-jarige feest van de orde zijn we met een stel broeders naar het Vliegend Paard, een studentencafé in Zwolle, gegaan. Jonge mensen geven het leven op hun eigen manier vorm. We spraken over welke keuzes ze maken, welke idealen ze hebben, wat ze meer doen dan geld verdienen. Dan blijkt dat hun zoektocht in het leven en de onze op elkaar lijken en we veel gemeenschappelijks te bespreken hebben.

Het gaat er om woord te zijn met lijf en leden

Een hoogtepunt in mijn leven hier was de professie van nieuwe, jonge Dominicanen. Ik ben blij dat ik mijn ervaringen over kan dragen. Vaak trekken jonge mensen die naar het klooster gaan zich terug in een abdij. Het is geweldig dat jonge mensen ook interesse hebben in de manier waarop dominicanen religieus zijn. Dominicanen staan midden in wereld, verbonden met andere mensen.

Onderdeel van de wereld zijn: dat zien we ook terug met Kerst. Dat is het moment dat God onder de mensen wordt geboren. Het lijkt misschien of Gods kracht op dat moment verbleekt. Maar er gebeurt juist het tegendeel. Het woord gaat niet over letters of het denken, het is dan vlees geworden. Het gaat er om woord te zijn met alles erop en eraan, met lijf en leden en zintuigen. Het hele menselijke optreden is Gods woord geworden. God is geboren als een baby en in doeken gewikkeld, God is gestorven en in doeken gewikkeld. Als Dominicanen zoeken we  deze menselijke gestalte van God vorm te geven.

Waar jij op dit moment ook bent, daar is God ook

Een medebroeder, rector van onze kerk, nam in 2000 afscheid. Hij had kanker gekregen die ook zijn lever had aangetast. Je zag dat hij zwaar ziek was, geel van de leverkanker. Maar hij wilde de parochie nog iets meegeven. Hij stond achter de lezenaar en sprak enkele woorden die steeds krachtiger werden. “Jullie zijn de kerk, wij zijn hier de kerk.” Uiteindelijk sprak hij de zegen uit. Zo persoonlijk was hij nog nooit geweest, nu getekend door de kanker. Zijn gebrokenheid was helemaal aanwezig. En tegelijk was zijn woord nog nooit zo krachtig geweest.

Als je niks meer bij te zetten hebt, komt de kracht van binnenuit. Hij belichaamde het woord in zijn kwetsbare lichaam. Je kunt ook zeggen dat de geest door hem heen sprak. Als je niks meer te verliezen hebt, staat er niks meer tussen jou en God. Als we kwetsbaar zijn, vallen alle maskers en schijnvertoningen weg. Misschien is God altijd wel dichtbij, maar staat er zoveel tussen. Waar jij op dit moment ook bent, daar is God ook.

Geloof is als onkruid

We ontdekken steeds weer waar het oude verhaal nu ook gebeurt. Niet wij dragen het prediken, we worden gedragen. Dat kunnen we niet plannen of regelen; als we denken dat het via de voordeur gaat, vindt het zijn weg via de achterdeur. We proberen zo goed als we kunnen, en dan overkomt het ons.

De gelovige en de atheïst hebben elkaar nodig, schrijft een moderne theoloog. Ze houden elkaar scherp, als ze nieuwsgierig zijn naar elkaar. De dialoog is interessant, steeds weer. Geloof is als onkruid, als je denkt het uit te kunnen roeien, komt het ergens anders weer op. Wij gaan er niet over, het gebeurt.

LEES MEER OVER DE DOMINICANENORDE >>>

De moeder het water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien

—toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid—
misschien zou ‘t goed zijn als nu Psalmen klonken.

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in ‘t gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.

(Uit: Rutger Kopland, Tot het ons loslaat, Amsterdam, Van Oorschot, 1997. Variatie op De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff.)

LEES NOG MEER INSPIRERENDE VERHALEN >>>

Comments are closed.