Zwolle en de dominicanen
De hierna volgende tekst is een bewerking van een lezing, georganiseerd door De Vereniging Vrienden van de Stadskern Zwolle en gehouden in het Historisch Centrum Overijssel op donderdag 17 april 2008
In zijn Kroniek van de Sint-Agnietenberg (Chronicon Montis Sanctae Agnetis) schreef Thomas a Kempis bij het jaar 1465 de volgende zin: “Eodem anno inceptum est Novum Monasterium Ordinis Praedicatorum ex observantibus in Zwollis.1) – “In hetzelfde jaar werd begonnen met het nieuwe klooster van de orde der predikers uit de observanten in Zwolle.” Thomas was toen supprior en de kroniekschrijver van dat klooster.
Wat is die orde van de predikers?
In middeleeuwse geschriften zal men het woord ‘dominicaan’ niet gauw tegenkomen. Dat is terecht. Dominicanen zijn geen volgelingen van zekere Dominicus die immers nooit de bedoeling heeft gehad om van zijn medewerkers navolgers te maken. Kort en krachtig gezegd: hij heeft een groep mannen om zich heen verzameld in een soort vereniging, een orde, met het doel om verantwoord te preken.2)
Daarom is er sprake van ‘predikbroeders’, ‘predicaren’ en het daaruit verbasterde woord ‘predikheren’. Verder horen en lezen we over ‘Bonte Papen’, een verwijzing naar de officiële kledij, die bestaat uit een wit habijt met zwarte mantel. In het Engels heten zij ‘Blackfriars’ en in het Frans ‘Les Jacobins’ naar hun klooster in Parijs dat was toegewijd aan de heilige Jacobus de Meerdere. In Leeuwarden vindt men aldus nog een Jacobijnerkerkhof.3)
De orde van de predikbroeders werd gesticht door de blonde Spanjaard Dominicus.4) Hij was de zoon van een kleine landedelman, Felix de Guzman, en Johanna van Aza en hij werd omstreeks 1170 geboren in Caleruega, een plaatsje ten noorden van het huidige Madrid in het toenmalige koninkrijk Castilië. Hij werd priester en belandde als regulier kanunnik bij Diego, toentertijd bisschop van Osma. Hij werd de supprior van diens kathedraal-kapittel.
Koning Alfons VIII van Castilië droeg Diego op in het noorden, mogelijk in Denemarken, een toekomstige bruid voor de kroonprins te zoeken. Diego nam zijn supprior mee en op de tocht naar het noorden stuitte het gezelschap in Zuid-Frankrijk op twee ketterse bewegingen: die van de christelijke Waldenzen en die van de, mijns inziens, niet-christelijke Katharen oftewel Albigenzen. Jordanus van Saksen, de eerste opvolger van Dominicus als hoofd van de orde, schreef een boek over het ontstaan van de orde en hij vertelt in fraai Latijn het volgende voorval.
Diego, Dominicus en hun gevolg overnachtten eens in een herberg te Toulouse. De waard was een Kathaar. Dominicus ging in gesprek met de man; zij discussieerden de hele nacht met elkaar en tenslotte kon de ketter niet meer weerstaan aan de wijsheid en de geestkracht van Dominicus. Een andere biograaf schreef over die gebeurtenis: ”Toen het morgenlicht aanbrak, daagde ook het licht van het ware geloof in de ketterse waard.”5)
Deze ervaring heeft wellicht bij Dominicus de idee wakker gemaakt om door verantwoorde prediking het zielenheil van zijn medemensen veilig te stellen. Hij verzamelde een groep mannen en vrouwen om zich heen die dit ideaal deelden. Paus Honorius III vaardigde in 1216 een bulle uit waarbij de nieuwe orde werd goedgekeurd. Het eerste klooster voor de zestien medebroeders, ondergebracht in een woonhuis, stond in Toulouse.
De orde breidde zich zeer snel uit. In 1256 geeft Humbertus van Romans, de magister-generaal van de orde, koning Lodewijk IX van Frankrijk de verzekering, dat deze kan rekenen op 30.000
missen van de zijde van de orde, drie van elke priester tijdens Lodewijks leven en drie na diens dood. Het komt erop neer, dat de orde toen al 5.000 priesters telde, nog afgezien van de lekenbroeders en de fraters in opleiding. Men denkt aan een getal van 9800 ordeleden.6) Een groei van 16 naar bijna 10.000 in veertig jaar.
In 1232 verschijnen de eerste predikbroeders in Utrecht, wellicht nog iets eerder.7) Die kloosterstichting gebeurde vanuit Keulen. De orde voegde al heel vroeg groepen van haar kloosters bijeen in zogenoemde ‘provincies’. Aan het hoofd daarvan staat een ‘provinciaal’, allesbehalve een wereldvreemde plattelander, want predikbroeders horen thuis in een stad.
De meeste kloosters binnen het huidige Nederlandse grondgebied behoorden aanvankelijk tot de provincie Teutonia. Vanaf 1303 hoorden zij bij een nieuwe provincie, die van Saksen (Saxonia).8)
De vraag doet zich voor, waarom Thomas van Kempen in zijn kroniek, die gaat over het wel en wee van de Sint-Agnietenberg, ineens de stichting van een predikbroeder-klooster vermeldt. Die hoort toch in die kroniek niet thuis?
De oplossing van het raadsel ligt in twee woorden die Thomas a Kempis heeft toegevoegd: “ex observantibus”, “uit de observanten”. Deze doorgewinterde Moderne Devoot was waarschijnlijk bijzonder geïnteresseerd in de komst van aanhangers van het herstel van de oorspronkelijke kloostertucht en was daar ook zeer blij mee.
Binnen de orde van de predikers was namelijk een beweging op gang gekomen om tot een strengere levenswijze te geraken.9) De pestepidemieën van rond het jaar 1350 hadden ook de kloosters gedecimeerd. Men had de ascetische gestrengheid terecht verzacht, maar men beging tevens de fout om veel te jonge kandidaten op te nemen om zo de kloosters weer te kunnen bevolken. Het geestelijk peil daalde aanzienlijk. Welnu, in oktober 1464 werden de kloosters die de strengere levenswijze waren toegedaan, verenigd in de zogenoemde ‘Congregatio Hollandiae’, de ‘Hollandse Congregatie’. Die kloosters werden daardoor onttrokken aan het gezag van de provincie waartoe zij behoorden. De naam duidt er al op, dat de meeste van die kloosters in de Nederlanden lagen, maar zij telde conventen van Finland tot in Bretagne. In 1515 werd de Congregatie opgeheven en keerden de kloosters terug in de schoot van de eigen provincie.
De stichting van het broerenklooster in Zwolle
De predikbroeders kwamen dus nog geen jaar na de oprichting van die Hollandse Congregatie naar Zwolle.10) De stichting van het klooster was in feite een gevolg van een verzoek van die Congregatie aan paus Paulus II. Het verzoekschrift werd op 8 juni 1465 ingewilligd, maar Zwolle wordt er niet met name in genoemd. Er is slechts sprake van “een plaats in het bisdom Utrecht”.
Hier doemt de vraag op, waarom de predikbroeders nu juist naar Zwolle kwamen. Afgezien van het feit, dat de toenmalige Zwolse stadsbestuurders zeer gesteld waren op de komst van de broe-
ders, speelt hier, naar ik vermoed, nog iets anders mee. De bekende Franse historicus Jacques Le Goff heeft via een uitgekiende rekenmethode kunnen aantonen, dat de dominicanen in zijn land destijds vooral de grotere steden, met name de haven- en handelssteden, opzochten voor hun vestigingen. Aldus konden zij met hun preken een groter en meer ontwikkeld publiek bereiken.11)
Wellicht werd deze zielzorgtactiek ook in de Nederlanden toegepast. Onder de vijftien middeleeuwse vestigingen die mijn medebroeder Pierre Wolfs in zijn boek over de middeleeuwse dominicanenkloosters in Nederland vermeldt, tel ik slechts twee kleine: het klooster te Winsum en dat van de Nieuwe Erve op Walcheren. Alle dertien andere kloosters zijn te vinden in steden als Utrecht, Rotterdam, Den Haag, Haarlem, Den Bosch, Nijmegen en zo voort. In die reeks hoort de Hanzestad Zwolle.12)
Men begon nog in 1465 met de voorbereidingen tot de bouw. Daarmee werd de Zutphense dominicaan Engelbertus Messemaker belast. Hij werd de grondlegger en de eerste prior.13)
De predikbroeders kochten grond aan buiten de toenmalige noordelijke stadsmuur. Eerst bij de voltooiing van de derde stadsuitleg omstreeks 1500 kwam het complex binnen de omwalling te liggen.
Men schijnt niet eerder dan in de tweede helft van 1466 met de eigenlijke bouwactiviteiten te zijn begonnen. Er is enige gelijkenis met het Zutphense klooster, maar de kerken verschillen. Die van Zutphen heeft een basilicale vorm; dat wil dus zeggen langgerekt met een hoog middenschip, terwijl de Zwolse kloosterkerk een bakstenen hallenbouw is. Zij heeft een lange noordbeuk met koor en een kortere, smallere zijbeuk. Men begon met de bouw van het koor, maar eerst in 1493 of daaromtrent was het werk aan de kerk voltooid. Zij bezat oorspronkelijk een dakruiter met één of meer klokken. Het gewelf werd omstreeks 1520 beschilderd, maar door de Hervormden later wit overgekalkt. In 1557 leverden de Zwolse orgelbouwer Jorgen Slegel en zijn twee zonen Kornelis en Michiel op bestelling een orgel af voor de kerk.
Tegelijk met het koor werd ook begonnen met de kloostergebouwen, op klassieke wijze gesitueerd rond een rechthoekig pandhof. Zij omvatten een librije, een kapittelhuis, een slaapzaal (dormter), een keuken, een refter, een gastenkamer, een huisje apart voor zieken, een proveniershuis en een bij het klooster gelegen brouwerij. Voorzover men heeft kunnen nagaan, hadden de gebouwen een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolder.
Ik voer hier opnieuw Jacques Le Goff een ogenblik ten tonele, omdat hij heeft opgemerkt, dat stadsgrond in de middeleeuwen duur was; dat de bedelorden wegens hun grote aantal veel grond nodig hadden; dat zij daarom aan hoogbouw moesten doen en in stenen huizen moesten wonen wegens het brandgevaar, maar, dat zij daarmee ook, ondanks hun armoedestreven, als vanzelf terechtkwamen aan de kant van de gegoede burgers, de enigen die zich de zeer dure stenen huizen konden veroorloven.14)
Het staat niet vast, wanneer de eerste dominicanen zich metterwoon in Zwolle vestigden. Dat moet eind 1467 of begin 1468 zijn geweest. Over het aantal bewoners tussen 1466 en 1580 zijn wij slecht ingelicht. Mevrouw Ingrid Wormgoor schat in haar dissertatie over de kerkelijke instellingen in Zwolle het aantal paters tussen 1468 en 1480 op ongeveer dertig. Daar moet men dan een onbekend aantal lekenbroeders en proveniers bijtellen. In 1569 waren er nog maar elf bewoners.15)
Een belangrijke taak van de kloosterlingen was uiteraard het bedienen van hun kerk. Naast het dagelijks koorgebed werden er missen gelezen, vaak voor overledenen. Er werd biechtgehoord en vooral gepreekt: elke zondag en op feestdagen in de eigen kerk, maar ook in de omgeving.
Bovendien was het klooster een huis waar werd gestudeerd en les werd gegeven. Niet voor niets waren klooster en kerk gesteld onder het patronage van Thomas van Aquino (* omstreek 1225 te Rocca Secca bij Napels; † 7-maart 1274 te Fossa Nuova op weg naar het Tweede Concilie van Lyon), de grote middeleeuwse theoloog, de roem van de orde. Hij heeft het devies van de orde geijkt: ‘Contemplari et contemplata aliis tradere’, ‘Overdenken, beschouwen en hetgeen men heeft overwogen, aan anderen doorgeven’.16)
Het Zwolse klooster wordt herhaaldelijk aangewezen als opleidingshuis. De vraag is alleen, of een dergelijke beslissing ook steeds werd verwezenlijkt. Vermeld worden een studium in de filosofie en de logica. Ook horen we van een meester in de H.Schrift, van lectoren, zeg docenten, van paters met een academische titel, van inquisiteurs, van geschriften die hier geschreven zijn.17)
De befaamdste onder de bewoners van het Zwols convent was een Breton: Alain de la Roche, alias Alanus de Rupe, Alanus van der Clip of Alanus de Rutze. Hij kwam waarschijnlijk nog in 1473 naar Zwolle, waar hij op 8 september 1475 overleed en in het koor van de kerk werd begraven. Zijn gebeente is overigens nooit teruggevonden. Hij verwierf internationale faam, doordat hij de uitvinder van de rozenkrans mag heten en haar grote promotor.18)
De inbreng van de stad Zwolle
Het heeft er veel van weg, dat minstens de Zwolse stadsbestuurders zeer gesteld waren op de komst van deze observanten.19) Zij wensten hen ook voor de stad te behouden. Dat blijkt zonneklaar uit een overeenkomst die op 3 december 1468 tussen klooster en stedelijke overheid werd gesloten. Dat was zowat drie jaar na het begin van de bouw. Het schijnt, dat de observantie tot twee maal toe van buiten af bedreigd is geweest. Welnu, in die overeenkomst verplichtten de predikbroeders zich de observantie te blijven aanhangen, terwijl de stad het recht kreeg die te beschermen en desnoods te herstellen door o.a. het klooster te doen bevolken met aanhangers van de observantie. Een soortgelijke overeenkomst werd nog eens elf jaar later met het stadsbestuur gesloten.
Zulke overeenkomsten tussen stadsbestuur en klooster zijn heden ten dage ondenkbaar. De Franse Revolutie bracht ons gelukkiger wijze de scheiding van kerk en staat. Maar deze voorvallen verschaffen ons wél duidelijk inzicht in de mentaliteit, met name in de godsdienstige gevoelens van de laatmiddeleeuwse mensen. Het toont bovendien, dat Zwolle het goed voorhad met de dominicanen.
De stedelijke regering heeft blijkbaar zo krachtig haar medewerking verleend, dat in de overeenkomst van 3 december 1468 de leden ervan “rechte stichters” worden genoemd, van wie de dominicanen dan zeggen “een clooster ontfangen te hebben”. Waarschijnlijk betekent dat niet meer dan dat de stad verlof voor de vestiging heeft gegeven en moet niet worden gedacht aan schenking van de grond. De dominicanen hebben de grond gewoon gekocht. De stad werkte wel mee, toen ten behoeve van het klooster een weg werd aangelegd in 1468 en in 1472 een poort werd gebouwd: de ‘bruederpoirte’.20)
De genegenheid van het stadsbestuur voor de predikbroeders blijkt ook uit zijn vrijgevigheid. Het schonk nog vóór de voltooiing van de kerk omstreeks 1493 50.000 stenen. In 1481 had de stad al een raam geschonken voor het toen voltooide koor. Later bezat de stedelijke regering in de kerk een eigen gestoelte. In 1567 droeg zij bij in de herstelkosten van het torentje.
Ook later liet het stadsbestuur zich bij herhaling niet onbetuigd door het geven van geschenken en subsidies bij grote samenkomsten van dominicanen in het klooster, zoals bij zogenoemde provinciale kapittels. Dat kapittel toonde dan weer zijn dankbaarheid door iedere priester in de provincie de mis te laten opdragen voor de leden van het stadsbestuur en hun de confraterniteit met de provincie te verlenen.
Op feestdagen als die van Dominicus en Thomas van Aquino onthaalde het stadsbestuur de broeders vaak op een tractatie. Leonardus van Daelen, voordien prior van het Zwolse klooster, ontving bij zijn gouden professiefeest in 1576 van stadswege een som gelds en werd op stadskosten verpleegd, toen hij het jaar daarop ziek werd.21)
Volgens dr. Wormgoor zijn er verschillende redenen te bedenken, waarom het stadsbestuur zo graag een bedelorde-klooster in zijn stad wilde. Bedelorden vielen niet onder de bisschoppelijke jurisdictie en hoefden zich niet aan de gevolgen van excommunicatie en interdict te houden. Bovendien stelde men het op prijs, dat een aantal kloosterlingen relatief hoog waren opgeleid en de stichting van een klooster kwam tevens kennelijk tegemoet aan de wens van de bevolking.22)
Geschillen en einde
Ofschoon conflicten tussen rivaliserende kloostergemeenschappen in de middeleeuwen niet ongewoon waren, is mij ,wat Zwolle aangaat, daaromtrent niets bekend. Wel worden geschillen gemeld tussen de predikbroeders en de wereldheren. Dat lag meer voor de hand, want zij visten in dezelfde vijver.
Zo ontstond al kort na de stichting van het klooster een geschil met de vice-cureit (onderpastoor) van de St.Michaelkerk, Henrick Remondis, over de tijd van het celebreren van de missen in de kloosterkerk, het biechthoren, het preken door de kloosterlingen en het begraven van leken. Men besloot een regeling in handen te leggen van de bisschop van Utrecht die op 16 juni 1469 uitspraak deed. De partijen legden zich bij die uitspraak neer.23)
De verhouding met de stad verslechterde met het veldwinnen van de Reformatie.24) Een eerste maal hebben de dominicanen, vrijwillig dan wel gedwongen, de stad verlaten op 19 juli 1572, nog voordat in augustus het leger van de graaf van Bergh voor de stad stond om deze in naam van Oranje op te eisen. Het klooster is toen tijdens hun afwezigheid zwaar geplunderd. De broeders keerden in december van dat jaar terug, toen binnen de stad ernstig rekening werd gehouden met de komst van Alva. Het stadsbestuur beval op 7 december alle goederen die ontvreemd waren, bij de eigenaars terug te brengen.
Tegen de zin van de bewoners liet het stadsbestuur in 1576 een gedeelte van het klooster tijdelijk door soldaten bezetten, zodat de eersten in het Boschklooster moesten worden ondergebracht.
Er was in de jaren daarna geen sterke stadsregering en de Hervormden kregen steeds meer macht. Het schepencollege, op 25 januari 1579 aangetreden, wilde geen strijd tussen de beide
religies, maar een gewapend conflict dat medio 1580 tussen deze twee ontstond, eindigde met een overwinning voor de Hervormden. Een resolutie van schepenen en raad, d.d. 13 mei 1580, luidde, dat men was overeengekomen om de conventualen aan te zeggen de stad te verlaten. Hun goederen moesten in de stad blijven. Het stadsbestuur gaf de broeders 50 goud-gulden mee om in hun eerste onderhoud te voorzien. Alleen de dominicanen werden door een dergelijke, harde maatregel getroffen.
De reden voor deze hardheid moet men waarschijnlijk zoeken in de houding van de Zwolse predikbroeders tegenover de opkomende Reformatie. Verschillende leden van het convent bestreden de nieuwe tendensen en haar voorvechters met kracht, zo niet met felheid. Met name het heftige conflict tussen de rector van de stadsschool, de humanist Gerhardus Listrius, en de prior van het klooster, Theodericus van Woudrichem, in de jaren 1515 tot 1522 zal blijvend kwaad bloed hebben gezet.25)
Intermezzo
Na het vertrek van de dominicanen werd het klooster ten dele verwoest. De zusters van het Maatklooster kregen huisvesting in een deel van het gebouw (1581-1593) en het overige deel werd door de stad verhuurd. Het stond ten dienste van komedianten, koorddansers en andere spelers. In 1610 namen de Hervormden de kerk in gebruik voor hun diensten. Op 29 januari 1640 besloten
schepenen en raad tot restauratie. Tijdens de bezetting door de Munsterse troepen was het koor sedert 4 augustus 1673 enkele maanden bij de tijdelijk teruggekeerde dominicanen in gebruik voor de eredienst. Sedert 1795 diende de kerk als paardenstal en voor militaire oefeningen. In 1809 ging zij weer als kerk dienen. In 1830 was het klooster onderdeel van de kazerne en in 1909 kwam de kerk na belangrijke herstelwerkzaamheden opnieuw ten dienste van de Hervormden. De Librije deed van 1757 tot 1899 dienst als synagoge.
In 1976 startte men met de restauratie en de nieuwbouw van kerk en klooster ten dienste van het Stedelijk Conservatorium. Die bouwwerkzaamheden werden in 1988 met succes afgerond.26)
Terugkeer
Het lijdt geen twijfel, dat de predikbroeders begin 1900 hun komst naar Zwolle hebben beleefd als een terugkeer, als een herleving.27) Alleen al het feit, dat zowel de nieuwe kerk als het nieuwe klooster onder patronage van Sint-Thomas van Aquino werden gesteld, zoals ook bij het oude klooster het geval was geweest, duiden daarop. In publicaties toen en later, zoals nog bij de viering van het 25 jarig bestaan, werd het thema van de terugkeer bij herhaling en met enige emotie aangesneden.
Bij deze tweede komst van de predikbroeders had de stad Zwolle geen inbreng. Die komst was een gevolg van niet zo fraai, binnenkerkelijk geharrewar. Om kort te gaan: het was een bijna middeleeuws conflict tussen paters en wereldheren. De predikbroeders kregen tenslotte als compensatie voor het verlies van hun statie, zeg maar parochie, in Groningen van de aartsbisschop van Utrecht toestemming tot de stichting van een klooster in Zwolle. Voorwaarde was, dat dit klooster niet vóór juli 1901 zou worden bevolkt.
Men ging op zoek naar een geschikt terrein en men kwam erachter, dat het boerenechtpaar Van de Vegte-Beumer hun erf aan de dominicanen wilde afstaan. Er moest wel grond voor goed geld worden bijgekocht. Zo geschiedde.
Architect J.Kayser uit Maastricht die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt, werd aangetrokken en hij ontwierp, hoe kan het anders in die dagen, een neogothisch gebouw naar de oude trant: een doorlopende claustrumgang rond een binnentuin en de gebruiksruimten aan de buitenkant. Voorts
een oprijzende kruiskerk van 21,50 meter hoog met drie beuken en een ruim koorgedeelte.
De aanbesteding werd gegund aan de Nijmeegse aannemer W.van der Waarden voor de luttele som van 339.180 gulden. Op 3 mei 1900 legde de toenmalige provinciaal, Ludovicus Theissling, de eerste steen. Op 12 december 1901 trokken de eerste bewoners binnen, maar voordien hadden rooms en niet-rooms op twee achtereenvolgende zondagen, 24 november en 1 december, de heilige hallen mogen betreden van zolder tot kelder. Van die mogelijkheid werd druk gebruik gemaakt.
De aanpalende kerk kwam eerst in februari 1902 klaar en werd op 19 augustus van dat jaar geconsacreerd. Alles was in die eerste tijd nog woest en ledig, maar dominicanen minnen niet alleen de plastische schoonheid in hun liturgie, maar ook in hun gebouwen. Zij zorgden in de loop der jaren ervoor de openbare ruimten aan te kleden. Er kwam een Adema-orgel; er kwamen gebrandschilderde ramen, voor een deel ontworpen door pater Raymundus van Bergen die tot op hoge ouderdom in het Zwolse klooster woonde en er in zijn atelier op zolder werkte.
Er kwam een mozaïekvloer in het koor, een orgelfront en bewerkte koorbanken, beide ontworpen door de befaamde architect Jan Stuyt. De Zwolse timmerman Anton Bolmers vervaardigde de koorbanken.
Daar bleef het niet bij, want er kwamen verbouwingen. Op 3 januari 1933 brak een felle brand uit die de hele bovenverdieping van het klooster met zolder en dak verwoestte. Het is nooit opgeklaard, hoe het vuur kon ontstaan. De felheid van de brand had alle sporen uitgewist.
In Nijmegen was intussen een nieuw klooster gebouwd. De architecten en de aannemer van dat gebouw klaarden de Zwolse reparatie-klus in zeven maanden. Er kwam een verdieping bij. Het leien dak, zoals nu nog op de kerk ligt, werd vervangen door dakpannen en de zolder werd een kopie van de Nijmeegse nieuwbouw. Zo konden de communiteitsleden op 8 september 1933 hun klooster weer betrekken. De brand en de terugkeer werd in een kerkraam en in een raam van het claustrum vereeuwigd, maar wellicht wegens de symmetrie werd 8 september vervroegd naar
3 september en door deze geschiedvervalsing rijmde 3 januari op 3 september.
De grote aanwas van kandidaten na de Tweede Wereldoorlog maakte opnieuw een verbouwing noodzakelijk. In het najaar van 1948 werden op de zolder 17 cellen voor de fraters gebouwd. Het klooster had toen zo’n 80 inwoners. In de volgende jaren steeg dat aantal nog iets om daarna fors te dalen. In 1966 vertrokken de filosofiestudenten en een aantal docenten naar Nijmegen.
Om het klooster in stand te kunnen houden, werden de nieuw gebouwde cellen verhuurd aan HTS-studenten en kort daarop gebeurde dat met de hele tweede verdieping en wel aan Staatsbosbeheer, later aan de Algemene Inspectie Dienst en op het ogenblik huist er de Rechtbank Zwolle-Leliestad, Sector Civiel Recht.
Sinds 1995 is het onderhoud van de gebouwen in handen gelegd van een stichting. Een manager-coördinator heeft de dagelijkse leiding en wordt bijgestaan door vele betaalde, maar vooral onbetaalde medewerkers (m/v), rooms en onrooms broederlijk en zusterlijk door elkaar.
Tussen 1982 en 1994 had een restauratie plaats van de kerk, mede mogelijk gemaakt door subsidie van de stad en het rijk. Margriet Meindertsma, de wethouder voor bouwzaken, was de predikbroeders gunstig gezind. Bij haar afscheid schonk het klooster haar een ouderwetse juskom met het wapen van de orde en fraai met bloemen opgemaakt.
De torenspits kreeg van de stad een blijvend spotlight, zodat het gebouw ook in de avondlijke en nachtelijke uren mede beeldbepalend voor de stad bleef.
Vanaf het begin was het Zwolse klooster een opleidingshuis voor jonge dominicanen en wel voor de driejarige studie van de filosofie. Het program omvatte onder andere natuurfilosofie, logica, metafysiek, criteriologie oftewel wetenschapsfilosofie, geschiedenis van de filosofie en apologetiek of christelijke verdedigingsleer. Maar er waren ook vakken als Bijbelgrieks, Hebreeuws, inleiding in
de bijbel, preekles, zangles en stemoefening. Daarnaast was er het koorgebed dat voor een groot deel door de fraters werd verzorgd en toch wel een uur of twee per dag in beslag nam.
Het studium had een behoorlijk peil, al ging een deel van de leerstof boven de pet van een aantal studenten. De fraters hadden op dinsdag en donderdag ’s-middags vrij, een nog uit de middel-eeuwen stammende regeling. Dan was het verplicht wandelen: twee aan twee waarbij de binnenstad verboden gebied was. Oudere Zwollenaren weten nog, hoe die zwart-witte koppels door hun straten liepen. Als ze langs het ziekenhuis kwamen, zwaaiden zij steevast naar de langdurig zieken die daar lagen.
Ofschoon de fraters gedurende hun hele opleidingstijd tijdens de vakanties niet naar hun ouderlijk huis mochten terugkeren, hadden zij een paradijselijke vervanging in het buitenhuis Arnichem bij het Haersterveer. Zij gingen daar twee maal veertien dagen naar toe. Er viel te zwemmen, te roeien, te zeilen, te wandelen en veel te lezen.
De bijdrage van de predikbroeders aan het stedelijk welzijn in de afgelopen honderd jaar lagen voornamelijk op godsdienstig gebied en dan nog beperkt tot het rooms-katholieke deel van de bevolking. De rijke liturgie met verzorgde zang trok mensen van veel kanten.
Toch was dit niet het enige. Het klooster lag in de druk bevolkte wijk Assendorp waar sinds 1866 met de komst van de spoorwegen naar Zwolle in snel tempo huisjes voor arbeiders werden gebouwd. Een groot deel van die arbeiders stonden onder invloed van de S.D.A.P, de Socialistisch Arbeiders Partij. Assendorp was rood.
In dat klimaat waren de conferenties over sociale rechtvaardigheid die de paters op zondagen in hun kerk verzorgden, niet zonder gevolg, al viel en valt dat niet te meten. De zielzorgers stonden in ieder geval niet met hun rug naar de samenleving.
Dat bleek ook uit de conferenties voor niet-katholieken. Die begonnen in november 1919 in een van de zalen van het klooster voor een uiterst select gezelschap: de commissaris van de koningin, de burgemeester, leden van het gerechtshof, dominees. De bedoeling was een objectieve uiteen-zetting te geven van de rooms-katholieke leer. Eind 1920 wilde men een groter publiek laten kennismaken met, zoals werd aangekondigd, “Roomsche leer en Roomsch leven”. De conferenties waren bedoeld voor niet-katholieken. Het eigen kerkvolk werd daarom nadrukkelijk verzocht weg te blijven. Het idee kreeg zeer spoedig navolging in veel andere plaatsen.
Dat dergelijke activiteiten vanuit het klooster mogelijk waren, was te danken aan het feit, dat er in het klooster werd gestudeerd en, dat men voor predikanten en mensen die lezingen konden verzorgen, uit zeker arsenaal kon putten.
Ofschoon de conferenties het hele land bestreken en duizenden toehoorders trokken, hebben ze slechts enkele jaren stand gehouden. Wat wél doorging, was een geleidelijke toenadering tussen protestanten en katholieken. De Tweede Wereldoorlog bevorderde die toenadering, doordat mensen van allerlei geestelijke pluimage in die jaren leerden met elkaar samen te werken.
Vanaf 1952 tot zeker 1955 vonden er oecumenische gesprekken plaats tussen de professoren van de Gereformeerde Theologische Hogeschool van Kampen en de paters-docenten van het Zwolse klooster: twee maal per jaar, afwisselend in Kampen en in Zwolle. Tot begin jaren 60 van
de vorige eeuw kwamen studenten van het Kamper dispuut ‘Heros’ en de Zwolse derde-jaars-studenten in de filosofie beurtelings bij elkaar op bezoek.
Het klooster heeft in combinatie met het nabijgelegen katholieke ziekenhuis een niet geheel onbelangrijke rol heeft gespeeld bij de opvang van vluchtelingen, onderduikers en mensen uit de illegaliteit. Veel daarover is, ook in eigen kring, niet bekend. Degenen die in zulk werk actief waren, zwegen als het graf, ook tegenover hun medebroeders en zelfs na de oorlog bleven zij uiterst karig met mededelingen over de rol die zij toen hadden gespeeld.
Evenals in de middeleeuwen was de kerk een openbare kerk. Ze was niet ingevoegd in het stedelijk patroon van parochies. En evenals in de middeleeuwen leverde dat irritaties op tussen paters en wereldheren. Zelfs onder het roomse kerkvolk waren er vurige patersklanten en lieden die van de paterskerk niet wilden weten.
Daar werd het volgende op gevonden: men bombardeerde de paterskerk tot ‘Rectoraat’ onder de paraplu van de Jozefparochie. Dat gebeurde op 22 september 1965. Pater Alfons Voss werd de eerste rector. Hij werd een bekend gezicht in katholiek Zwolle, doordat hij gedurende lange jaren
ook buiten het eigen rectoraat werkzaam bleef in het pastoraat. Zo deden overigens ook andere paters.
In 1979 werd de serie ‘Leerwegen’ opgezet als voortzetting van de gesprekken destijds met geïnteresseerde stad- en streekgenoten over geloofsbeleving en actualiteit. Het zogenoemde Thomashuis nam in 1998 deze fakkel over tot op de dag van vandaag.
Zusters dominicanessen verhuisden van het A-plein naar het klooster. Dat gebeurde op donderdag 2 januari 1997 in ijzige kou: om 9.00 uur in de morgen vroor het nog 15 graden!
De zusters brachten het jongerenwerk mee. Dat werd gehuisvest in de oude wasserij die vanaf ongeveer september van datzelfde jaar een grondige verbouwing onderging. De grondpartij werd bestemd voor de nachtopvang van daklozen, het Nel Banninkhuis. Op de bovenverdieping kwam, hoe toepasselijk, ’t WasdoM’, waar sindsdien allerlei activiteiten voor jongeren worden uitgedacht en uitgevoerd.
Op dit ogenblik is het grote kloostergebouw nog steeds bewoond door acht broeders. Er woont een groep van drie dominicanessen onder de naam Hebreeuwse naam ‘Kohèlet’, hetgeen predikante of predikster betekent. Twee vrouwen die geen kloosterling zijn, maar zich sterk met de orde verbonden voelen, hebben zich metterwoon in het huis gevestigd.
Hoe het met ons allen verder zal gaan, nu de aanwas al jaren stil ligt, weet niemand. Het klassieke kloosterleven heeft, lijkt het, zijn aantrekkingskracht althans in onze West-Europese landen verloren. Het vinden van nieuwe wegen in deze spirituele sector behoort, om met Fernand Braudel te spreken, tot de geschiedenis van de middellange duur.28) Hooggeplaatste rooms-katholieke geestelijken willen daarover nog wel eens luchtigjes heen stappen met de opmerking, dat de Kerk wel vaker dieptepunten heeft gekend en er toch weer bovenop is gekomen.
Schrijver dezes echter denkt maar zo: resultaten, behaald in het verleden, geven geen garantie voor de toekomst. Zwolle en de dominicanen mogen overigens met enige trots terugzien op een samengaan waarvoor geen van beiden zich behoeft te schamen, integendeel.
Kees Brakkee o.p.
Noten
**De tekst 'Zwolle en de dominicanen' is als artikel verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift 26 (2009) nr. 3.
1) Opera Omnia, ed.M.J.Pohl, 7dln., Freiburg i.Br 1902-1922, VII, 458
2) Zie voor een zeer korte beschrijving: Terugblik en uitzicht. 75 jaar Dominicanen in Zwolle, 1901-
1976, Zwolle, z.j.(1976); blz.19-20,21.
Voor een kort historisch overzicht: Kees Brakkee, Historie, in: Zoeken naar echtheid. Dominica-
nen in Nederland, Amstelveen, 1986; blz. 15-33.
3) Zie: S.P.Wolfs O.P., Middeleeuwse dominicanenkloosters in Nederland. Bijdrage tot een mona-
sticon, Assen, 1984; blz. 1-2, sub II; 136, sub VI.
4) M.-H. Vicaire, O.P., Histoire de Saint Dominique, 2.tom., 2de éd., Paris, 1982.
C.H.Lambermond, Sint Dominicus, de stichter van de orde der predikbroeders, Haarlem/
Antwerpen, z.j. [1949]; 231 blz.
5) «Cuius terre incolas cum deprehendisset iam fuisse dudum hereticos, cepit super illusis tam in-
numeris miserabiliter animabus multa cordis compassione turbari. Ipsa nocte vero, qua in prefa-
ta civitate [Tholosa] hospitati sunt, supprior ille cum hospite domu heretico multa disputatione et
persuasione fortiter et ferventer agens, dum // non posset hereticus resistere sapientie et spiritui
qui loquebatur ad fidem ipsum spiritu dei mediante reduxit.»
Jordanus de Saxonia ,Libellus de principiis ordinis praedicatorum, in: Monumenta Historica
sancti Patris nostri Dominici, fasc.II, no.15 ; p.33-34. Romae: Institutum Historicum FF. Praedi-
catorum, 1935.
Petitot en Vicaire geven de zin over het morgenlicht zonder te vermelden wie de auteur van
deze vondst is. Het is net, alsof Jordanus dat heeft neergeschreven. Wat niet zo is.
Lambermond (Sint Dominicus,1948) vermeldt met citaat (blz. 34 bovenaan), dat een van
Dominicus’ biografen deze fijnzinige opmerking maakte, maar hij vertelt niet, wie dat was.
Lambermond’s citaat luidt: ”Toen de nachtelijke duisternis verdreven was, was ook door het bo-
vennatuurlijke licht van het geloof de duisternis van de dwaling in deze misleide ziel over-
wonnen.”
Tot nu toe heb ik deze auteur niet kunnen ontdekken.
6) M.-H. Vicaire OP, Éléments de démographie dominicaine au XIIIe et au début du XIVe siècle
dans la France du nord et du midi, in: Dominique et ses prêcheurs, Fribourg/Paris 1977 ; p.370-
371.
7) Wolfs (Zie noot 3), blz.244, sub III; G.A.Meijer O.P., Historisch overzicht van de Nederduitsche
Provincie, in: Dominicaansche Studiën, Tiel 1920; Aanhangsel II, blz. 25.
8) Wolfs (Zie noot 3), blz. 2, sub III
9) Alb.de Meyer O.P., La Congrégation de Hollande ou La Réforme dominicaine en territoire
Bourgignon 1465 – 1515, Liège 1947; CXXII- 474 p. Ook: Wolfs (Zie noot 3), blz. 2, sub III.
10) Wolfs (Zie noot 3), blz. 335, sub III.
11) J.le Goff, Ordres mendiants et urbanisation dans la France médiévale. État de l’ enquête, in:
. E.S.C. 25(1970), 932.
12) Wolfs (Zie noot 3), Inhoud, blz. V.
(noten – blz.2) – Zwolle en de dominicanen - blz.9
13) Voor deze en de volgende alinea’s: Wolfs (Zie noot 3), blz. 335-339, sub III-VI en De
Broerenkerk te Zwolle, onder red.van A.J.Gevers en A.J.Mensema, Zwolle, 1989; blz.12 v.v.
14) J.le Goff (Zie noot 11), blz. 941-943.
15) I.Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil. Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun
functioneren binnen de stedelijke samenleving tot 1580, Zwolle,2007; blz. 212 en 331.
16) Thomae Aquinatis, Summa theologiae, II-II, q.188, art.6 c.
17) Wolfs (Zie noot 3), blz. 348, sub XIV; Wormgoor (Zie noot 14), blz. 211
18) Wolfs (Zie noot 3), blz. 339, sub VII en blz. 349-351, sub XV en XVI
19) Zie voor het vervolg: Wolfs (Zie noot 3), blz. 340-342, sub X en XII; Wormgoor, blz. 204-206,
215, 218-221
20) Wolfs (Zie noot 3), blz. 342, sub XII; De Broerenkerk te Zwolle (Zie noot 12), blz. 15-16
21) Wolfs (Zie noot 3), blz 341-342, sub XII
22) Wormgoor (Zie noot 14), blz. 215
23) Wolfs, (Zie noot 3), blz. 341, sub XI
24) Wolfs (Zie noot 3), blz. 354, sub XVIII; Wormgoor (Zie noot 14), blz. 341-342
25) M.Schoengen, Grepen uit het kerkelijk en burgerlijk leven in verband met het oude
broerenklooster te Zwolle, in: De Dominikanen te Zwolle, Zwolle, 1926; blz. 73-98
26) Zie voor de tijd na de Reformatie: De Broerenkerk te Zwolle (Zie noot 12), blz. 37-78; voor de
restauratie: ibidem, blz. 79-99. Voorts: Wolfs (Zie noot 3), blz. 337, sub V
27) Voor het hele verdere vervolg putte ik uit: Terugblik en uitzicht. 75 jaar Dominicanen in Zwolle,
1901-1976 (Zie noot 2); uit: R.W.Thuijs, Beschrijving van de Dominicanen-kerk en klooster van
de H.Thomas van Aquino te Zwolle, Zwolle, 1985 (pro manuscripo) en uit eigen herinnering.
28) Fernand Braudel, La Méditerranée et le monde méditerranéen à l’époque de Philippe II, Paris,
1949; 2e éd., 1966












