Refter
p het ogenblik zijn er twee ruimten die ‘refter’ worden genoemd: de ‘Grote Refter’en de ‘Kleine Refter’. Het Nederlandse woord ‘refter’ (de refter en niet het refter, zoals men soms abusievelijk schrijft!) is afkomstig van het niet-klassieke Latijnse ‘refectorium’: ruimte waar men, letterlijk, “(zich) opnieuw maakt”, “(zich) herstelt”, “wordt verkwikt”.
Wat thans ‘Grote Refter’ heet, was de eetzaal van de kloosterlingen. Aan de kopse kant onder het drieluik van de kruisiging stond een tafel waaraan in het midden de prior zat. Langs de wanden de nu nog aanwezige, vaste banken, daarvoor tafels en daarvoor weer losse banken. De kloosterlingen zaten in volgorde van professie, dus van hun toetreding tot de orde, eerst de paters, dan de fraters en tenslotte de lekenbroeders.
Er werd in stilte gegeten en onderwijl werd er voorgelezen. Halverwege de refter stond een katheder tegen de wand op de plek waar nu een piano staat. Daarop nam de voorlezer plaats. De fraters bedienden en lazen voor bij toerbeurt.
Het opdienen begon bij de jongsten, van onderop dus, en het afhalen begon bovenin bij de tafel van de prior. Zo hadden de jongeren de meeste tijd om te eten, omdat zij geacht werden meer voedsel nodig te hebben dan de ouderen!
De huidige ‘Kleine Refter’ was eertijds de ‘broodkeuken’, waar het brood werd bewaard en gesneden. Daar was ook een doorgeefluik waardoor de warme maaltijd werd doorgegeven aan de tafeldienaars. Achter de broodkeuken bevond zich de eigenlijke keuken waar ook de afwasbakken stonden. Weer daarachter kon men de recreatieruimte van de lekenbroeders vinden en de ingang voor de leveranciers.












