Kapittelzaal

et antwoord op de vraag: “Wat is een kapittelzaal?” is een pietsie ingewikkeld. ‘Kapittel’ is afkomstig van het Latijnse ‘capitulum’, dat weer een verkleinwoord is van caput’, ‘hoofd’, maar ook ‘hoofdstuk’. Dus: ’hoofdje’, ‘hoofdstukje’, ‘passage’. Aldus belanden wij bij “des Pudels Kern”, want ‘kapittel’ is vooreerst een tekstfragment uit de Bijbel, zoals dat in de kerkelijke getijden voorkomt. Vervolgens kan ‘kapittel’ een passage uit een kloosterregel aanduiden. Aan het einde van het koorgebed de Prime trokken kloosterlingen naar een zaal, waar een stukje uit de regel werd voorgelezen, vaak gevolgd door een vermaning van de abt of de prior. Zo kreeg ‘kapittel’ ook de betekenis van plaats van deze bijeenkomst en vervolgens van bijeenkomst.

Dat verklaart, waarom een vergadering van kloosterlingen met dat woord wordt aangeduid. Predikbroeders kennen aldus een huis-, een provinciaal en een generaal kapittel. Zo voert een college van kanunniken (koorheren) eveneens de naam van kapittel, en, als zij aan een kathedraal, een bisschopskerk, zijn verbonden, spreekt men van een ‘dom-‘ of ‘kathedraal kapittel’.

Bij ons, Nederlandse predikbroeders, bevonden zich in de kapittelzaal langs de wanden rondom banken en op de kop stond een zetel voor de prior. Wij kwamen elke vrijdagmiddag na de vespers allemaal, paters, fraters en broeders, daar bijeen. Er werd gebeden voor de overledenen, een specialiteit van de dominicanen, en voor de weldoeners. De prior sprak daarna een geestelijk opwekkend woord en behandelde ook wel zaken die in het klooster speelden. Dat ging dan over huishoudelijke dingen. De goegemeente zweeg onderwijl; er werd niet over het een of ander gediscussieerd.

Daarna ging de pior zomaar over op het Latijn met de woorden: “Exeant fratres studentes et fratres conversi.”, “Laten de fraters studenten en de lekenbroeders weggaan.” Die gaven dan braaf gehoor aan dat verzoek, verlieten de zaal en togen naar hun eigen afdeling, waar het kapittel, net als bij de paters, overging in een zogenoemd ‘schuldkapittel’.

Ieder beschuldigde zichzelf van overtredingen van de regel, zoals met name het verbreken van het ‘silentium’, de stilte in refter en claustrum, etc. Men kreeg van respectievelijk de prior, de magister van de fraters of de broedermeester een penitentie opgelegd: een psalm of een tientje van de rozenkrans. Daarbij maakte men een ‘venia’, een ‘verontschuldiging’, waarbij men languit op de grond ging liggen tot er een teken kwam, dat men weer kon opstaan.

In het noviciaat, het proefjaar, werd er met nadruk op gewezen, dat het niet ging om ‘zonden’, maar om overtredingen van de regel of de constituties. Die verplichten niet onder zonde.

In het buitenland, met name in Frankrijk, kwam het voor, dat confraters elkaar beschuldigden in zo’n kapittelbijeenkomst, maar wij, Nederlanders, deden dat uitdrukkelijk niet.
Het zal duidelijk zijn, waar het gezegde “iemand kapittelen” vandaan komt.

Een kapittelzaal werd, hoewel hier in Zwolle er weinig gebruik van werd gemaakt, elders toch ook wel gebezigd voor huisvergaderingen en provinciale kapittels. Er werd dan gestemd over toelating tot de inkleding of de professie en de verkiezingen van prioren en provinciaals vonden er plaats.