De Zaal
ij werd gebruikt om grotere groepen gasten te ontvangen. Daar ook werd het (warme) middageten opgediend voor de gasten. De ‘gastenpater’ at dan mee, als het bezoek de fraters gold. Die mochten niet met hun, hen bezoekende, ouders of broers en zussen meeëten. Zij moesten gewoon in de Refter eten.
De Zaal (nu het Studium) stond in verbinding met de hospiesgang, zodat het vrouwelijk bezoek niet door het voor haar verboden claustrum, hoefden te lopen. Het Latijnse woord ‘claustrum’ betekent ‘slot’ en ook ‘afgesloten ruimte’. Vandaar het Nederlandse woord ‘klooster’.
Zoals men kan zien, lopen er twee gangen parallel in het voorhuis op de begane grond en op de verdieping daarboven. Dat hield verband met dat ‘slot’, dat zowel de ruimte aanduidde als het verbod voor bepaalde personen om die ruimte te betreden. Dat verbod noemt men ook wel de ‘clausuur‘.
De clausuur is al zeer oud. De heilige kerkvader Augustinus († 430), bisschop van Hippo Regius in Noord-Afrika, liet zelfs zijn zus, hoofd van een naburig nonnenklooster, niet toe in zijn pastorie waar de bewoners als kloosterlingen leefden.
Vrouwen mochten in mannenkloosters niet in het slotgedeelte komen en mannen niet in dat van vrouwenkloosters. Uitgezonderd waren de koningin en haar gevolg! Wilde men als vrouw in de Aula komen dan kon dat alleen maar via de Zaal.
In ons klooster werd het de bezoekers van de Matthäus Passion op 7 april 1965 voor het eerst toegestaan van het claustrum gebruik te maken. Sindsdien verdween de clausuur geruisloos.












