De rozenkrans
et woord 'rozenkrans' verwijst naar een ding, een religieus voorwerp, maar tegelijk ook naar een godsdienstig gebruik, een bepaalde vorm van bidden.
Een rozenkrans is een snoer met 150 kralen die in vijftien parten zijn verdeeld, elk van tien kralen. Die parten worden gescheiden door een kraal die meestal wat groter is. Het snoer heeft een staart. Aan het eind daarvan zit een kruis en dan volgt een aparte, meestal wat grotere kraal en drie gewone kralen. Bijna niemand heeft of had zo'n 'echte', volledige rozenkrans. Het gewone godsvolk van jong tot oud, had een rozenkrans met vijftig kralen, maar de staart was dezelfde: een kruisje aan het eind, één kraal apart en drie gewone. Je droeg zo’n verkleinde rozenkrans altijd bij je in een 'dopje'. Dat was een zakje met overslaand klepje, voorzien van een drukknoop. Je hebt ze van leer of van stof. Ze zijn er nog steeds!
Kleine rozenkransen waren en zijn er in alle maten en soorten: met kralen van glas, hout, metaal (zilver), steen, kunststof en palmpitten; met snoeren van touw, ijzer- of koperdraad. Ze waren en zijn te koop, maar we maakten ze soms ook zelf met een 'rozenkranstangetje', een gewoon buigtangetje overigens.
Er bestaan ook zogenaamde 'verkenners-rozenkransen'. Dat is een plat metalen ringetje met tien uitsteeksels en een kruisje. De ring doe je om je wijsvinger, zodat je met je duim de uitsteeksels verder kan draaien. Het ding is erg handzaam, als je op kamp gaat.
Gewone, roomse mensen baden en bidden nog wel de rozenkrans, maar dan in de verkleinde vorm: vijf Onze Vaders en vijftig Weesgegroeten. Dat heet een 'rozenhoedje'. Het is een speciaal gebed met eigen regels. Men kan de rozenkrans hardop bidden, alleen of in gezelschap, maar ook stil voor je heen.
Men begint met het kruisje in de hand een kruisteken te maken. Dan zegt men De Twaalf artikelen van het Geloof die beginnen met de woorden: " Ik geloof in God, de Almachtige Vader …" Dan volgt: "Eer aan de Vader en de Zoon enz.". Daarna: "De namen van Jezus, Maria en Jozef moeten zijn gezegend. Van nu af tot in eeuwigheid".
Bij de eerste (grote) kraal bidt men een Onze Vader. Bij de eerste van de drie gewone kralen wordt gezegd: "Ik groet U, Dochter van God de Vader." Er volgt een Weesgegroet. Bij de tweede kraal: "Ik groet U, Moeder van God de Zoon." Er volgt een Weesgegroet. Bij de derde kraal: "Ik groet U, Bruid van God de Heilige Geest." Weer een Weesgegroet en een Eer aan de Vader, enz.
Men laat het snoer, kraal voor kraal, door de hand glijden tussen duim en wijsvinger. Intussen is men nu aangeland bij het eigenlijke snoer. Eerst weer een aparte (grote) kraal: volgt een Onze Vader. Nu noemt men één van de Geheimen. Wat dat zijn, daarover verderop.
Men bidt nu achter elkaar tien Weesgegroeten. Dan weer een Eer aan de Vader, enz. en De namen van Jezus, Maria en Jozef, enz. Vervolgens weer een Onze Vader waarna men een tweede Geheim noemt. Dat proces herhaalt men vier maal. Als men aan het eind is gekomen, heeft men een 'rozenhoedje' gebeden. Maar zo kan men ook een héle rozenkrans bidden of één of meer 'tientjes'.
Tot slot: de dominicanen hebben een enigszins afwijkende manier om de rozenkrans te bidden. De startfase slaan zij helemaal over en ze beginnen zonder omwegen onmiddellijk aan de eigenlijke rozenkrans of het rozenhoedje.
Eerst vanuit Douais (Frankrijk), later vanuit Zwolle begon de opmars van de tegenwoordige vorm van het rozenkransgebed. Dat kwam, doordat vanaf 1471 een predikbroeder in preek en geschrift propaganda maakte voor deze vorm van bidden. Zij veroverde eerst de Nederlanden, de Rijnstreek en andere Duitse landen en sloeg wat later over naar Italië, Spanje, Portugal en de missielanden.
Die predikbroeder was omstreeks 1428 geboren ergens in Bretagne. Hij heette Alanus de Rupe (Latijn), Alain de la Roche (Frans), Alanus van der Clip of Alanus van der Rutze (toenmalig Nederlands). We weten weinig met zekerheid over zijn leven. Al jong zou hij ingetreden zijn bij de dominicanen te Dinan (Bretagne). Na studies in Parijs kwam hij in 1462 naar Lille (Rijsel). Twee jaar later werd dat klooster toegevoegd aan de zogenaamde Congregatio Hollandiae oftewel de Hollandse Congregatie, een verzameling van kloosters in het huidige Noord-Frankrijk, België en Nederland die de strenge observantie waren toegedaan. Hun bewoners wilden de oorspronkelijke kloosterregel weer ten volle beleven.
Alanus verhuisde van Lille naar Douai (Dowaai), ging vervolgens naar Gent en zou in 1470 naar Rostock zijn gegaan om er de doctorstitel te verwerven. In 1474 kwam hij naar Zwolle waar hij op 8 september 1475 overleed. Hij werd in de Broerenkerk begraven, maar zijn graf is niet meer te vinden.
Hij moet ongelofelijk veel hebben gepreekt. Er zijn bovendien nogal wat geschriften van hem bewaard gebleven, zowel in het Latijn als in het toenmalige Nederlands, hoewel het niet zeker is, dat alles wat op zijn naam staat, ook werkelijk van hem afkomstig is. Men is er heden van overtuigd, dat hij de uitvinder is van ons hedendaagse rozenkransgebed.
Alanus borduurde echter voort op een stramien dat al ver vóór zijn tijd bestond en dat ook in andere godsdiensten en culturen voorkomt tot op de huidige dag. Het gebruik van een kralensnoer of iets dat daarop lijkt, kende en kent men in India en de Arabische landen, in het boeddhisme en de islam, evenals het steeds herhalen van dezelfde (gebeds)formules en aanroepingen. Zo ook binnen het christendom. Egyptische kluizenaars in de vierde eeuw na Christus praktiseerden der-gelijke gebruiken. Latere, ongeletterde monniken herhaalden ter vervanging het koorgebed een aantal Onze Vaders. Vandaar het woord ‘Paternoster’ voor rozenkrans.
Vanaf de twaalfde eeuw kwamen gebeden in gebruik waarbij het Weesgegroet almaar werd herhaald onder toevoeging telkens van een soms wisselende aanroep. Dat Weesgegroet echter bestond alleen uit het eerste gedeelte: “Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met U; gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.” Ook dit stuk valt weer in tweeën uiteen: het eerste deel is de groet van de engel Gabriël aan Maria uit Lucas 1: 28. Het tweede gedeelte is de begroeting van Elisabeth, gericht tot de haar bezoekende nicht Maria uit Lucas 1: 42.
De toevoeging “Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.” wordt pas vanaf het eind van de 16de eeuw algemeen gebruikt.
In de dagen van Alanus rees er verzet tegen het gedachteloos herhalen van de Ave’s en er kwamen verschillende gebedsmethoden in omloop om de sleur uit dit soort gebeden te halen. De vondst van Alanus is, dat hij een eenvoudige methode aanprees die ook door gewone mensen gepraktiseerd kon worden. Hijzelf sprak niet van rozenkrans, maar van ‘Souter’, ‘psalter’ dus of ‘psalterium’, Boek van de Psalmen. De 150 psalmen waren en zijn verwerkt in het breviergebed, dat priesters en kloosterlingen bidden in delen, over de dag verspreid. Zo wilde Alanus, dat dit ‘lekenbrevier’ van 150 Weesgegroeten, in drieën gedeeld, elke dag in zijn geheel zou worden gebeden.
Maar bovendien verbond hij aan elk ‘tientje’ een overweging van een gegeven uit het leven van Jezus. Ook stichtte hij broederschappen waarin mensen, mannen én vrouwen, zich verplichtten elke dag de rozenkrans te bidden.
Zo zag de ‘dominicaanse’ rozenkrans er oorspronkelijk uit; pas later is het ‘staartje’ aan de rozenkrans toegevoegd.
Deze nieuwe gebedsmethode sloeg aan, ook, doordat Alanus en zijn medebroeders er effectief propaganda voor voerden. Zo beweerde Alanus, dat hij in een visioen had gezien, hoe de Maagd Maria aan zijn ordestichter Dominicus de rozenkrans ten geschenke gaf. Historisch een hoogst onwaarschijnlijk verhaal, dat er blijkbaar toch inging als koek. Overal zijn er beelden en schilderijen waarin dit voorval wordt afgebeeld. Ons klooster heeft er zo een paar, onder andere een beel-dengroep in het claustrum, een schilderij in de sacristie en een schildering in het koor.
Duidelijk is nu ook waarom koning David op die laatst genoemde afbeelding staat gemaald: hij immers geldt als de voornaamste dichter van de 150 psalmen.
Na alles wat ik over de rozenkrans en haar ontstaan heb verteld, zal het helder zijn, waarom dominicanen een grote rozenkrans van 150 kralen aan hun riem hebben hangen, en ook, waarom de Nederlandse provincie (afdeling) van de predikbroeders is toegewijd aan Maria, Koningin van de Allerheiligste Rozenkrans. Het zal evenmin verbazen, waarom juist in ons Zwolse klooster zoveel over Alanus de Rupe en de rozenkrans is te vinden.
Alanus propageerde, dat men tijdens het bidden van telkens tien Weesgegroeten een geloofsgeheim zou overwegen.. Aldus kwam hij tot vijftien van zulke geheimen.
Wat is er geheim aan die geheimen? Om eerlijk de waarheid te zeggen: niks tot niet veel. We hebben hier van doen met geloofstaal, zeg maar roomse vaktaal. Het Nederlandse woord ‘geheim’ is in ons geval de letterlijke vertaling van het Griekse woord ‘mustèrion’ en het Latijnse ‘mysterium’ (‘mysterie’). Het is een oud woord, stamt uit vóórchristelijke godsdiensten, is in de christelijke geloofstaal opgenomen en betekent nu zo iets als ‘geloofsfeit’, een gebeurtenis waarvan wij geloven, dat God haar tot ons heil in gang heeft gezet en aan ons als zodanig heeft geopenbaard. Er is weinig geheimzinnigs of mysterieus aan te bekennen.
De geheimen van de rozenkrans zijn gebeurtenissen uit het leven van Jezus, zoals die zijn verhaald in de evangeliën. Bij elk ‘tientje’ wordt één zo’n gebeurtenis genoemd om gedurende het bidden van dat tientje te overwegen.
Er zijn drie soorten geheimen: de blijde, de droevige en de glorievolle. De blijde geheimen zijn:
1. “De engel Gabriël brengt de blijde boodschap aan Maria.” (Lucas 1: 26-38);
2. “Maria bezoekt haar nicht Elisabet.” (Lucas 1: 39-56);
3. “Jezus wordt geboren in een stal van Betlehem.” (Lucas 2: 1-7);
4. “Jezus wordt in de tempel opgedragen.” (Lucas 2: 22-40);
5. “Jezus wordt in de tempel wedergevonden.” (Lucas 2: 41-52)
De droevige geheimen zijn:
1. “Jezus bidt in doodsangst tot Zijn hemelse vader.” (Lucas (22: 1-38);
2. “Jezus wordt gegeseld.” (Lucas 22: 63);
3. “Jezus wordt met doornen gekroond.” (Matteüs 27: 29);
4. ’’Jezus draagt zijn kruis naar de berg van Calvarië.’’ (Lucas 23: 26 -31);
5. “Jezus sterft aan het kruis.” (Lucas 23: 44 - 49).
De glorievolle geheimen zijn:
1. “Jezus verrijst uit de doden.” (Lucas 24: 1 -12);
2. “Jezus stijgt op ten hemel.” (Lucas 24: 50 – 53);
3. “De Heilige Geest daalt neer over de apostelen.”. (Handelingen van de apostelen 2: 1 – 13);
4. “Maria wordt in de hemel opgenomen.” (Wordt in de Schrift niet vermeld);
5. “Maria wordt in de hemel gekroond.” (Wordt in de Schrift niet vermeld.)












