Abt
et woord is allereerst afkomstig van het Aramese ‘abba’ en van het Latijnse ‘abbas’. Het betekent ‘vader’ en was in de periode, dat het kloosterleven ontstond (4de eeuw na Christus) aanvankelijk een eretitel voor een oudere kluizenaar of eremiet (letterlijk: ‘woestijnbewoner’). Daarna werd de overste van een kloostergemeenschap zo genoemd. De oudere kloosterorden, zoals die van de benedictijnen, cisterciënzers, trappisten, basilianen, hebben allemaal abten, een vaderfiguur, die vroeger voor het leven werd gekozen. Bij plechtige gelegenheden dragen zij een mijter en een staf. Het ambt is ontstaan in een patriarchale cultuur. Andere kloosterorden hebben andersoortige oversten. Zie onder prior.












