Dominicanenklooster Zwolle

et Zwolse dominicanenklooster werd vanaf eind 1899 gebouwd en in 1902 opgeleverd. Men ervoer dit gebeuren als een herleving van de eerdere aanwezigheid van de predikbroeders waaraan in 1580 een einde kwam. Klik hier voor informatie over 'Zwolle en de dominicanen'.
Het oude Broerenklooster, gerestaureerd, bestaat echter nog steeds. Het nieuwe klooster en ook de aanpalende kerk werden onder het patronage gesteld van de grote, middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino, zoals ook het vroegere Broerenconvent.

Het huidige klooster, bestemd voor de opleiding van de eigen clerus, kwam in de wijk Assendorp te staan, een arbeiderswijk met veel spoorwegmensen. Menigeen kwam er onder de invloed van de SDAP, (Sociaal Democratische ArbeidersPartij). Assendorp kreeg de naam van ‘het rode dorp’.
In die dagen verkondigden de predikanten van de paterskerk de beginselen van de sociale rechtvaardigheid en zij trokken veel gehoor. Er werden studiekringen gevormd voor katholieken en conferenties verzorgd voor niet-katholieken over het ‘Roomse geloof”. Die tendens wordt heden ten dage voortgezet door het ‘Thomashuis’ waarvan de staf lezingen over godsdienstige en maatschappelijke kwesties en dergelijke voorbereidt en aanbiedt aan wie wil.

Zo is er «‘t WasdoM», dat zich op het jongerenwerk richt, voor verschillende groepen jongeren werkt en jaarlijks uit Europa ongeveer zes jonge mensen van verschillende godsdienstige denominaties de kans geeft om tijdens een zogenoemd ‘diakonaal jaar’ door eigen ondervinding religieuze en sociale ervaring op te doen.

Op dit ogenblik leven, wonen en werken in het klooster acht predikbroeders; twee zusters dominicanessen en twee vrouwen. Kerk en klooster krijgen de gewaardeerde medewerking van zeer veel vrijwilligers.

De ruimtes en hun oorspronkelijke functie

e Zaal

Zij werd gebruikt om grotere groepen gasten te ontvangen. Daar ook werd het (warme) middageten opgediend voor de gasten. De ‘gastenpater’ at dan mee, als het bezoek de fraters gold. Die mochten niet met hun, hen bezoekende, ouders of broers en zussen meeëten. Zij moesten gewoon in de refter eten. Klik hier voor meer informatie over de Zaal.

■ De Aula
De predikbroeders hadden een eigen opleiding voor hun ‘fraters’ die priester zouden worden, predikant en zielzorger. Die opleiding bestond, afgezien van een jaar noviciaat, uit drie jaar ‘filosofie’ en vier jaar theologie. De driejarige filosofie-opleiding gebeurde in Zwolle en was onderverdeeld in allerlei vakken, zoals geschiedenis van de filosofie, logica, natuurfilosofie. Maar er werd ook Bijbel-Grieks en Hebreeuws onderwezen; zang- en preeklessen waren er. Er moesten scripties worden geschreven. Klik hier voor meer informatie over de Aula.

■ Kamer 4
Deze kamer is, voor zo ver bekend, altijd spreekkamer geweest. Dat soort kamers hadden een functie ook en met name voor de zielzorg.

■ Kapittelzaal
Het antwoord op de vraag: “Wat is een kapittelzaal?” is een pietsie ingewikkeld. ‘Kapittel’ is afkomstig van het Latijnse ‘capitulum’, dat weer een verkleinwoord is van caput’, ‘hoofd’, maar ook ‘hoofdstuk’. Dus: ’hoofdje’, ‘hoofdstukje’, ‘passage’. Klik hier voor meer informatie over de Kapittelzaal.

■ Refter
Op het ogenblik zijn er twee ruimten die ‘refter’ worden genoemd: de ‘Grote Refter’en de ‘Kleine Refter’. Het Nederlandse woord ‘refter’ (de refter en niet het refter, zoals men soms abusievelijk schrijft!) is afkomstig van het niet-klassieke Latijnse ‘refectorium’: ruimte waar men, letterlijk, “(zich) opnieuw maakt”, “(zich) herstelt”, “wordt verkwikt”. Klik hier voor meer informatie over de Refter.

■ Oratorium
Deze ruimte was oorspronkelijk de leskamer voor de derdejaars ‘filosofen’. Toen deze opleiding naar Nijmegen verhuisde, heeft men dit lokaal gebruikt als biljartzaal, vervolgens als stencilkamer en tenslotte is het een gebedsruimte geworden waar broeders en zusters en wie wil, twee maal per dag voor gebed bijeenkomen.

■ Sacristie
Deze ruimte is nog steeds in gebruik voor het doel waarvoor ze was en is bestemd, al wordt zij veel minder frequent gebruikt dan vroeger. Het woord ‘sacristie’ is overgenomen van het kerklatijnse ‘sacristia’, waar men het woord ‘sacer’, ‘heilig’ in kan herkennen. Het is een bewaar- en een kleedkamer. Klik hier voor meer informatie over de Sacristie.

Kleding

ranciscanen dragen een pij, dominicanen dragen een habijt. Dat ziet er zo uit: een witte tuniek, zeg lange jurk tot op de voeten met lange mouwen, oorspronkelijk van ongebleekte witte wol, tegenwoordig meest van terlenka. Om de middel een leren riem waaraan soms een rozenkrans van 150 kralen hangt. Over de tuniek een scapulier, een schouderkleed, bestaande uit een lange witte lap met middenin een gat om het hoofd door te laten. Daar weer overheen een witte capuche, een soort pelerine (schoudermanteltje) met kap.

Voor buiten en in de winterdagen draagt men een zwarte, wollen mantel en een eveneens zwart capuche en wel zo, dat de witte kap als een soort voering dient van de zwarte.

De rozenkrans

et woord 'rozenkrans' verwijst naar een ding, een religieus voorwerp, maar tegelijk ook naar een godsdienstig gebruik, een bepaalde vorm van bidden.

Een rozenkrans is een snoer met 150 kralen die in vijftien parten zijn verdeeld, elk van tien kralen. Die parten worden gescheiden door een kraal die meestal wat groter is. Het snoer heeft een staart. Aan het eind daarvan zit een kruis en dan volgt een aparte, meestal wat grotere kraal en drie gewone kralen. Bijna niemand heeft of had zo'n 'echte', volledige rozenkrans. Het gewone godsvolk van jong tot oud, had een rozenkrans met vijftig kralen, maar de staart was dezelfde: een kruisje aan het eind, één kraal apart en drie gewone. Je droeg zo’n verkleinde rozenkrans altijd bij je in een 'dopje'. Dat was een zakje met overslaand klepje, voorzien van een drukknoop. Je hebt ze van leer of van stof. Ze zijn er nog steeds! Lees verder...

Verklaring van bepaalde termen

- abt:
Het woord is allereerst afkomstig van het Aramese ‘abba’ en van het Latijnse ‘abbas’. Het betekent ‘vader’, lees verder...

- biechten:
‘Biechten’ betekent ‘verklaren, bekennen, belijden’. Voor rooms-katholieken is het een sacrament, een teken dat men stelt en dat genade aanduidt en ook verleent. In het geval van de biecht gelooft men, dat God de zondaar zijn misstappen vergeeft, mits deze ook werkelijk berouw heeft van zijn daden. Lees verder...

- mis:
Een enigszins in onbruik geraakte aanduiding voor wat nu de viering van de eucharistie heet. Eucharistie komt van het Griekse woord ‘ευ̉χάριστειν’, ‘eucharistein’, dat ‘dankzeggen’ betekent. Mis is afkomstig van het Latijnse ‘missa’, ‘wegzending’. Aan het eind van de (Latijnse) mis zei de priester: “Ite, missa est.”, “Gaat, de wegzending gebeurt.” Met ‘mis’ werd de hele viering aangeduid.
Die viering is de rooms-katholieke versie van wat onder protestanten het Avondmaal of de Avondmaalsviering wordt genoemd. Ze bestaat uit een eerste gedeelte, de woorddienst, waarin teksten uit de Bijbel worden (voor)gelezen en in een preek verklaard en aanbevolen. Daarna volgt de dienst van de tafel waarin een dankgebed wordt gezegd en brood en wijn worden aangereikt in navolging van wat Jezus deed op het Laatste Avondmaal. Hij beval zijn volgelingen datzelfde te doen om hem te blijven gedenken. (Zie het evangelie van Lucas 22: 19)

- monnik:
Het woord stamt van het Griekse ‘μοναχός’, ‘monachos’, ‘alleen levend’, dat wil zeggen: slechts voor God. Men duidde er in de oudheid een kluizenaar mee aan, maar later waren monniken juist mensen die in een gemeenschap, een klooster, bij elkaar woonden en werkten.
Naar hun vorm kan men de kloosterinstellingen indelen in ordes met een beschouwend (contemplatief) leven, met een werkend (actief) leven en met een gemengd leven (vita mixta).
In de contemplatieve orden ligt de nadruk op het gemeenschapsleven, het stilzwijgen, de verzorging van koorgebed en liturgie en handenarbeid. Het zijn vooral de leden van de oude kloosterorden, zoals de benedictijnen, cisterciënzers, karthuizers, trappisten, camaldulenzen, etc. die in strikte zin monniken mogen heten.
De kloosterorden die in de 13de eeuw ontstonden zoals de dominicanen, de franciscanen, etc. leiden een gemengd leven. Zij kennen gezamenlijk koorgebed en meditatie, maar zij houden zich ook onder andere met zielzorg, studie en preken bezig. Hun bewegingsvrijheid is daarom veel groter en de regels zijn soepeler.
De actieve kloosterinstellingen hebben geen gezamenlijk koorgebed en houden zich bezig met apostolaat, ziekenverzorging, onderwijs en missionering. Zij heten geen orde meer, maar ‘congregatie’, ‘vereniging’.
Soms noemt men elke kloosterling van welk type dan ook ‘monnik’, maar dat is een oneigenlijk gebruik van de term. Kloosterlingen van het gemengde en van het actieve leven zijn geen monniken.

- prior:
De plaatselijke oversten van de zogenoemde bedelorden, dominicanen, karmelieten, au- gustijnen, ontstaan tijdens de groei van de middeleeuwse steden (13de eeuw), heten prioren. Die van de franciscanen echter heet gardiaan (van het Italiaanse ‘guardiano’, ‘wachter’, ‘bewaker’).
Het woord ‘prior’ komt rechtstreeks uit het Latijn en betekent ‘voorste’, eerdere’. De ambtstermijn van een prior is beperkt. Bij de dominicanen is die drie jaar en de man wordt door de kloostergemeenschap gekozen. Hij is herkiesbaar en alleen bij hoge uitzondering kan hij nog eens drie jaar aanblijven. Daarna is hij weer gewoon piot, gelijk aan zijn medebroeders. Hij geldt dus als een eerste onder gelijken en die ambtsopvatting gaat terug op de middeleeuwse, stedelijke democratie.

- slotklooster
De meeste gewone kloosters kennen of kenden een clausuur. Bepaalde ruimten mogen of mochten niet betreden worden door leden van het andere geslacht. (Zie hierboven onder het kopje De Zaal).
Er bestaan echter kloosters waar de clausuur niet alleen alle buitenstaanders treft, (Dus: mannen zowel als vrouwen, priesters, kloosterlingen van een andere snit en leken.), maar ook de inwonende kloosterlingen zelf. Zij mogen het pand niet verlaten. Zij vallen onder het zogenoemde ‘pauselijk slot’. Het gaat hier meest om vrouwenkloosters van de ‘Tweede Orde’, de vrouwelijke tak van een stichting voor mannnen (de ‘Eerste Orde’).
Deze vrouwen heten ‘monialen’, leiden een contemplatief leven en zijn strikt van de ‘wereld’ gescheiden: tralies en ondoordringbare gordijnen voor de ramen, deuren op slot en voor het hoogstnoodzakelijke contact met de buitenwereld heeft men vaak enkele zogenaamde ‘buitenzusters’ die de boodschappen doen en buiten het eigenlijke slotgedeelte wonen. Alleen in noodsituaties - denk aan brand of ziekte - mogen de zusters het pand verlaten of mag een (mannelijke) arts naar binnen. Tegenwoordig zijn de voorschriften wat gematigder en zijn vaak de tralies voor de ramen verdwenen.
n.b. De afkomst van het woord ‘moniale’ is ietwat onzeker. De kerkelijke,
Latijnse vakterm luidt ‘monialis’, maar de letterlijke betekenis is niet
te achterhalen, al kan men vermoeden, dat het Griekse ‘μόνος’,
‘eenzaam’, ‘alleen’, in de samenstelling van het woord een rol heeft
gespeeld, zoals bij ‘μοναχός’, ‘monachos’, ‘monnik’.

wat is er te doen deze maand?
‹‹ feb apr ››
Z M D W D V Z
      1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30 31